Frankrijk opent onderzoek naar aanbieders van conversietherapie
Het openbaar ministerie onderzoekt een netwerk dat onder de naam van pastorale begeleiding actief bleef. Het verbod geldt er sinds 2022.

Het Franse openbaar ministerie opent een onderzoek naar aanbieders van conversietherapie. Het gaat om een netwerk dat onder de naam van pastorale begeleiding actief bleef, terwijl het verbod op zulke praktijken er sinds 2022 geldt. Het is een van de eerste keren dat het OM sinds de invoering zo'n netwerk gericht onderzoekt.
Aanleiding is een reportage waarin oud-deelnemers beschrijven hoe gesprekssessies feitelijk neerkwamen op het afleren van hun geaardheid. De organisatie zelf spreekt van vrijwillige geloofsgesprekken en ontkent dat er sprake was van behandeling. Volgens de aanbieder ging het om gesprekken waar deelnemers uit vrije wil aan meededen.
Conversietherapie is de verzamelnaam voor pogingen om iemands seksuele oriëntatie of genderidentiteit te veranderen. Meerdere landen verboden de praktijk de afgelopen jaren, na aanhoudende kritiek van artsen en mensenrechtenorganisaties op de schade die ze aanricht. Beroepsverenigingen van artsen wijzen zulke praktijken al langer af als schadelijk en zonder enige wetenschappelijke grond.
Onderzoek en getuigenissen wijzen erop dat zulke sessies weinig veranderen aan de geaardheid zelf, maar wel diepe sporen nalaten. Oud-deelnemers spreken van schaamte en schuldgevoel die jaren later nog doorwerken. Hulpverleners zien de gevolgen soms pas opduiken wanneer iemand veel later aan de bel trekt.
Sinds het Franse verbod zijn er tientallen meldingen gedaan, maar tot een veroordeling kwam het nog niet. Deze zaak geldt daarom als een test of het verbod ook in de praktijk tot vervolging kan leiden. Tot nu toe bleef het bij meldingen die zelden een vervolg kregen.
Juristen wijzen op de bewijslast als grootste hindernis. Deelnemers melden zich vaak pas jaren later, wanneer bewijs moeilijker te achterhalen is, en de sessies vonden doorgaans plaats in besloten kring zonder buitenstaanders. Getuigen zijn er daardoor nauwelijks, en veel gebeurde mondeling en zonder papieren spoor.
Een verbod zonder zaken blijft een papieren verbod.
Ook de vermenging met geloofsgesprekken maakt de zaak juridisch ingewikkeld. Aanbieders beroepen zich op de vrijheid van godsdienst, waardoor de rechter een grens moet trekken tussen geloofsuiting en verboden behandeling. Die afweging maakt de zaak tot een principiële test van hoe ver het verbod reikt.
Voor oud-deelnemers gaat het onderzoek verder dan de juridische uitkomst. Verschillenden van hen zeggen vooral erkenning te zoeken voor wat hun is overkomen, ongeacht of het tot een veroordeling komt. Voor hen is het feit dat de zaak nu serieus wordt genomen op zichzelf al betekenisvol.
De uitkomst wordt ook buiten Frankrijk gevolgd, omdat meer landen worstelen met de handhaving van vergelijkbare verboden. Een veroordeling zou laten zien dat zo'n verbod meer is dan een symbolische wet. Landen die een verbod overwegen, kijken daarom mee naar hoe de Franse zaak afloopt.
In Nederland ligt een vergelijkbaar wetsvoorstel al langer bij de Kamer. Belangenorganisaties volgen de Franse zaak nauwgezet, omdat die iets kan zeggen over de vraag of zo'n verbod handhaafbaar is.

